Geen laattijdige aangifte faillissement: zaakvoerder/bestuurder correctioneel vrijgesproken

De zaakvoerder van een vennootschap in faling werd vervolgd voor de correctionele rechtbank te Dendermonde en dit voor het laattijdig aangifte te hebben gedaan van faillissement ttz. dus na datum van staking van betaling.

De gevolgen voor een dergelijke veroordeling zijn niet min voor zaakvoerders en bestuurders van de onderneming in faling. Immers de curatoren stellen zich in deze procedures steeds burgerlijke partij waarbij – in het geval van een schuldigverklaring – de zaakvoerder en/of de bestuurders meestal veroordeeld worden tot betaling van het passief van de vennootschap.

In casu bedroeg het passief om en bij de 500.000 EUR.

De faling werd enerzijds veroorzaakt door de verhuis van het productiebedrijf naar een nieuw pand waarbij evenwel kortelings na de verhuis is gebleken dat de normale productie niet kon geschieden ingevolge onvoldoende elektriciteitsvoorzieningen. Dit had een uitbesteding van de productieopdrachten tot gevolg met enorm verlies aan marge als resultaat.

De oplossing met de verhuurder liet te lang op zich wachten waarna de crisis zich aandiende en het voor de zaakvoerder – ondanks werkdagen van 14 uur – niet meer mogelijk was om het hoofd boven water te houden.

In navolging met de redenering van Talo Advocaten besloot de correctionele rechtbank dat staking van betaling inhoudt dat de handelaar zich in de blijvende onmogelijkheid bevindt om zijn vaststaande en opeisbare schulden te voldoen (Cass. 17 september 1996, Arr. Cass. 314; Gent 27 april 1995, T.R.V. 1995, 604-612). Geschokt krediet betekent dat de handelaar het vertrouwen van zijn handelspartners en schuldeisers heeft verloren. Deze voorwaarde is nauw verbonden met de voorwaarde van staking van betaling (Cass. 10 oktober 1997, Arr. Cass. 1997, 397).

De vraag stelde zich echter of de betalingsmoeilijkheden, waarmee de vennootschap van de zaakvoerder te kampen had, dermate waren dat het krediet van de vennootschap werkelijk wankelend was. Bovendien diende te worden aangetoond dat de zaakvoerder/beklaagde gehandeld zou hebben met de enige bedoeling om de faillissementsverklaring uit te stellen.

Vooreerst merkte de rechtbank in haar vonnis op dat de curator in zijn memorie de datum waarop de betalingen werden gestaakt, situeert op “december 2010”, zijnde één maand voor het tussengekomen faillissementsvonnis (stuk 21 strafdossier).

Verder werd aangetoond dat er met de belangrijkste schuldeiser, in casu de RSZ, op 7 december 2010 een administratief akkoord werd gesloten, hetgeen aantoont dat beklaagde het vertrouwen van één van zijn belangrijkste (handels)partners nog niet was verloren.

In het verslag van de Kamer voor Handelsonderzoek de dato 19 oktober 2010 werd vermeld dat de solvabiliteit en rentabiliteit goed waren maar dat de liquiditeit een probleem vormde, hetgeen niet per definitie wil zeggen dat men op dat ogenblik in de blijvende onmogelijkheid bevindt om zijn opeisbare schulden te voldoen. Ten andere, wat betreft de schulden van de fiscale administratie, blijkt uit de stukken van het strafdossier, dat een aanzienlijk deel ervan pas opeisbaar is geworden na datum van faillissement.

In de gegeven omstandigheden was de rechtbank dan ook van oordeel dat geenszins is bewezen dat de vennootschap van beklaagde zich voor datum van faillietverklaring in staat van faillissement bevond.

De rechtbank bepaalde de datum van staking van betaling in januari 2011 zoals voorzien in het faillissementsvonnis.

Met dit vonnis kon de zaakvoerder een faillissementsprocedure van meer dan 3 jaar eindelijk afsluiten.

04. March 2014 by Tim De Clercq
Categories: Nieuws, Publicaties | Tags: , , , | Leave a comment