Inning van facturen onmogelijk bij foutieve inschrijving in KBO

Het wetboek economisch recht is al enige tijd in voege en bij rechtspractici leefde de vraag hoe de rechters zouden omgaan met de diverse onontvankelijkheden zoals deze verwerkt werden in de nieuwe wetgeving.

De rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, Afdeling Mechelen handelt naar de strikte letter van de wet in een recent door haar gewezen vonnis.

De feitelijkheden zijn als volgt te omschrijven:

Een onderneming geeft opdracht aan een aannemer om een verbouwing uit te voeren.

Er wordt mondeling overeengekomen dat de verbouwing globaal een 10.000 EUR zou bedragen en dat er voorschotten dienden betaald te worden.

Ondanks andere afspraken wordt door de cliënt uiteindelijk 12.000,00 EUR betaald.

Na uitvoering van de werken ontvangt de cliënt echter nog een zogenaamde eindfactuur voor een bedrag van maar liefst… 12.000,00 EUR [!].

De cliënt weigert terecht om deze laatste factuur te voldoen gezien vooreerst een ander bedrag werd overeengekomen maar ook dat er werken en uren werden aangerekend die nooit werden gepresteerd.

Cliënt protesteert aldus de eindfactuur. De aannemer dagvaardt.

Benevens de feitelijke elementen van het dossier wordt in de procedure door cliënt opgeworpen dat de aannemer zijn vordering baseert op werken zoals weergegeven in zijn eindfactuur waarvoor hij evenwel niet was ingeschreven in de Kruispuntbank der Ondernemingen [KBO].

In de procedure werd dan ook artikel III.26 § 2 van het Wetboek Economisch Recht ingeroepen hetwelk bepaalt dat de vordering welke gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van die vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, onontvankelijk is.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Mechelen heeft deze argumentatie gevolgd en oordeelde dat de vordering van de aannemer in betaling van de eindfactuur onontvankelijk was gezien gebaseerd was op activiteiten waarvoor hij niet was ingeschreven. De aannemer werd tevens veroordeeld in betaling van de rechtsplegingsvergoeding van 1.320,00. EUR

Voor de opdrachtgever geldt dan ook dat steeds goed moet worden nagekeken wat er wordt gefactureerd indien er betwisting zou bestaan omtrent de aangerekende werken en of deze “activiteiten” vallen onder het maatschappelijk doel van de onderneming en deze activiteiten zijn ingeschreven in de KBO.

Alle handelaren en ondernemers worden bij deze dan ook geadviseerd om na te kijken of de inschrijvingen in het KBO en de omschrijving in het maatschappelijk doel van de vennootschap wel overeenstemt met de daadwerkelijk uitgevoerde activiteiten. Indien deze niet in accorderen is een urgent bezoek bij het ondernemingsloket en de notaris onafwendbaar.

Een kort nazicht van de inschrijvingen in het KBO kan via deze link waarbij vervolgens enkel het BTW nummer van de onderneming in kwestie dient te worden ingevoegd.

Indien u hieromtrent meer vragen zou hebben, aarzel dan niet om contact op te nemen met Talo Advocaten.

08. May 2015 by Tim De Clercq
Categories: Nieuws, Publicaties | Leave a comment