Wet Continuïteit Ondernemingen (WCO): Arrest hof van beroep Antwerpen dd. 25 oktober 2012

ARREST HOF VAN BEROEP DD. 25 OKTOBER 2012

Het arrest behandelt de problematiek van discriminatie in een reorganisatieplan waarbij ditmaal een arrest in het voordeel van de schuldenaar/concordant werd uitgesproken.

Indien U vragen heeft over dit arrest staat het U vrij ons kantoor te contacteren.

BVBA XYZ, met maatschappelijke zetel gevestigd te  Wilrijk, Koning albertlaan 147.

Eiseres in hoger beroep,

Vertegenwoordigd door Mr. DE CLERCQ Tim, advocaat te 2000 Antwerpen, Bordeauxstraat 14.

Tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 23 mei 2012, A.R. B/12/61.

Tegen

De RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel gevestigd te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11.

Verweerder in hoger beroep,

Beiden vertegenwoordigd door Mr. SF

1. De antecedenten en de vorderingen

1.

BVBA XYZ heeft op 17.01.2012 een verzoekschrift neergelegd tot opening van een procedure tot gerechtelijke reorganisatie met het oog op het bereiken van een collectief akkoord. De Procedure werd bij vonnis dd. 01.02.2012 geopend verklaard.

Het reorganisatieplan werd neergelegd op 26.04.2012 en op 11.05.2012 ging de zitting door met het oog op de stemming over dit plan en het addendum eraan.

Het plan werd goedgekeurd met de in art. 54 WCO omschreven meerderheid. In deze procedure is de RSZ vrijwillig tussengekomen en heeft tegen het reorganisatieplan gestemd.

2.

Met het bestreden vonnis dd. 23.05.2012 heeft de rechtbank van koophandel te Antwerpen de homologatie van het reorganisatieplan geweigerd, en de procedure van gerechtelijke reorganisatie van BVBA XYZ gesloten verklaard.

Tegen dit vonnis heeft BVBA XYZ met een op 31.05.2012 neergelegd verzoekschrift hoger beroep aangetekend. Zij vordert in hoofdorde de homologatie van het plan. Ondergeschikt vordert zij dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie niet wordt afgesloten maar haar de mogelijkheid wordt geboden om een nieuw reorganisatieplan neer te leggen tezamen met de goedkeuring van de meerderheid van de schuldeisers in gewicht en aantal.

De RSZ besluit tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

2. Beoordeling

1.

De eerste rechter heeft de homologatie van het reorganisatieplan geweigerd wegens strijdigheid met de openbare orde.

Hij was van oordeel dat bepaalde schuldeisers zonder redelijke verantwoording worden gediscrimineerd, waardoor het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel wordt geschonden.

2.

Concreet voorziet het reorganisatieplan met addendum van BVBA XYZ in zijn bepalend gedeelte in de volgende terugbetaling van de gewone schuldvorderingen in de opschorting:

–        Ten belope van 80% van de hoofdsom voor de schuldvorderingen van de 0 tot 3.000 euro in 24 maandelijkse schijven met aanvang van 1 maand na het sluiten van de reorganisatieprocedure

–        Ten belope van 60% van de hoofdsom voor de schuldvorderingen van 3.001 tot 6.000 euro in 48 maandelijkse schijven met aanvang van 1 maand na het sluiten van de reorganisatieprocedure

–        Ten belope van 50% van de hoofdsom voor de schuldvorderingen van 6.001 tot 12.000 euro in 60 maandelijkse schijven met aanvang van 1 maand na het sluiten van de reorganisatieprocedure.

–        Ten belope van 40% van de hoofdsom voor de schuldvorderingen vanaf 12.001 euro in 60 maandelijkse schijven met aanvang van 1maand na het sluiten van de reorganisatieprocedure.

Dit betekent dat voorzien is in een lineair degressief patroon waarbij het percentage van de kwijtschelding evenredig toeneemt met de grootte van de schuldvordering

3.

Het feit dat categorieën van schuldvorderingen in de opschorting werden bepaald in functie van de omvang van de schuldvordering maakt op zich geen discriminatie uit en is trouwens in overeenstemming met de door de wetgever in art. 49 WCO uitdrukkelijk geboden mogelijkheid.

Voor deze gedifferentieerde regeling dient weliswaar een redelijke verantwoording te bestaan omwille van het algemeen rechtsbeginsel van gelijkheid en niet-discriminatie opdat het reorganisatieplan niet strijdig zou zijn met de openbare orde.

4.

De eerste rechter aanvaardt op onterechte gronden de stelling van de RSZ dat de gevraagde inspanningen van de schuldeisers onredelijk disproportioneel verdeeld zijn doordat van de RSZ zonder redelijke verantwoording wordt gevergd dat zij het grootste deel van de gevraagde inspanningen van schuldkwijtschelding ten laste zou nemen.

Deze laatste vaststelling is feitelijk onjuist, aangezien behalve de RSZ nog drie andere schuldeisers (belroof, de heer Werner Klockaerts en de heer Willy Klockaerts) zich bevinden in de categorie van schuldkwijtschelding met 60%. Met haar schuldvordering van 50.147,49 euro bezit de RSZ trouwens niet de grootste schuldvordering, wel de heer Willy Klockaerts met een vordering van 53.241,26 euro.

Om tot zijn besluit te komen dat de RSZ disproportioneel veel moet bijdragen maakt de eerste rechter ten onrechte abstractie van de schuldvorderingen van de heren Klockaerts.

De schuldvordering van geen van beide schuldeisers, die opgenomen waren in de lijst met schuldvoreringen in de opschorting, heeft het voorwerp uitgemaakt van een betwisting overeenkomstig art. 46 WCO.

Ten overvloede wordt benadrukt dat de realiteit van hun schuldvorderingen blijkt uit de overgelegde bewijsstukken. Ook van de verhoging van de schuldvordering van de heer Willy Klockaerts van 32.843,86 euro in de ontwerpbalans van het boekjaar 2011 die werd meegedeeld bij de neerlegging van het verzoekschrift tot 53.241,26 euro in het reorganisatieplan, liggen de verantwoordingsstukken voor.

Derhalve mist de bewering relevantie dat zonder de schuldvorderingen van de heren Klockaerts de schuldenaar de dubbele meerderheid van art. 54 WCO niet zou hebben gehaald.

Het feit dat de stemming in grote mate door deze schuldvorderingen beïnvloed werd is slechts het logische gevolg van het bestaan en de omvang van deze schuldvorderingen.

De vaststelling dat hierdoor degenen die het meeste baat hebben bij het overleven en weer gezond maken van de onderneming (-de heren Klockaerts zijn ieder 50% aandeelhouder-), in belangrijke mate kunnen wegen op de stemming is hierbij niet relevant.

5.

Het arrest van dit hof dd. 30.06.2011 (2011/AR/62) gaat uit van een niet vergelijkbare feitensituatie, waarin wél  een disproportioneel zware inspanning van slechts één –veruit de grootste- schuldeiser werd gevergd. In casu is geen sprake van één geïsoleerde schuldeiser die een veel hoger percentage dan de andere schuldeisers  kwijtscheldt, met name 90% van zijn vordering en 60% van de totale vorderingen, zoals in de zaak die tot het arrest aanleiding gaf.

6.

Aan de schuldenaar kan niet worden verweten die verdeling van de voorziene middelen voor te stellen die het meeste kans biedt op goedkeuring door de schuldeisers. Zo mag de schuldenaar de hoogste uitbetalingspercentages toekennen aan de kleinste schuldeisers met het oog op het verhogen van zijn kansen op het behalen van de door art. 54 WCO vereiste dubbele meerderheid.

De argumentatie van BVBA XYZ kan trouwens worden bijgetreden dat het vergen van een groter aandeel in de schuldkwijtschelding vanwege de grote schuldeisers noodzakelijk is voor het herstel van de continuïteit van de onderneming, gelet op de beperkte beschikbare middelen.

Het onderscheid in behandeling van de gewone schuldeisers is derhalve redelijk verantwoord in functie van het door de schuldenaar nagestreefde doel van herstel van de onderneming, vermits alle schuldeisers in het algemeen belang correct bijdragen tot dit herstel.

Het gaat dan ook niet op te stellen dat de enige betrachting van de schuldenaar was de stemming over het reorganisatieplan te beïnvloeden door zwaar te wegen op de vereiste dubbele meerderheid als bedoeld in art. 54 WCO.

Het hof besluit derhalve dat het bestreden vonnis ten onrechte oordeelt dat er geen objectieve verantwoording gegeven wordt voor de bijdrage in de schuldkwijtschelding die van de RSZ op grond van de omvang van haar schuldvordering behoort, worden alle schuldeisers op dezelfde wijze behandeld.

De toebedeling volgens de genoemde categorieën maakt dan ook in dit geval geen schending uit van het gelijkheidsbeginsel.

7.

Het argument van de RSZ dat gestoeld is op art. 489bis, 1e Sw. Kan niet weerhouden worden bij gebreke aan een strafklacht of aanduiding van een strafonderzoek.

8.

Zo de bewering van de RSZ al juist is dat de schuldvordering op BVBA XYZ die dateren van na het vonnis dd. 01.02.2012 ook niet werden betaald, is dit niet van aard om te besluiten tot de weigering van de homologatie van het reorganisatieplan.

9.

De RSZ voert eveneens aan dat de pleegvormen opgelegd door de WCO niet werden nageleefd.

Het reorganisatieplan is evenwel binnen de wettelijk bepaalde termijn van art. 44WCO ter griffie neergelegd. De maximum uitvoeringstermijn van de betalingen aan de schuldeisers van art. 52 WCO is in het plan niet overschreden. De nodige bewijzen van de samenstelling van de vorderingen in rekening-courant van de aandeelhouders van de vennootschap werden neergelegd.

Het is juist dat in de krachtens art. 17 §2, 7e WCO vereiste lijst van schuldeisers de NV YZ en de NV ZX ontbreken.

De NV ZX werd als schuldeiser toegevoegd in een nota die werd neergelegd op de stemmingszitting van 11.05.2012.

Het blijkt niet dat de niet-vermelding van deze schuldeisers met kwaad opzet gebeurde. De betrokken schulden blijven zonder invloed op de uitslag van de stemming over het reorganisatieplan. Ook zijn deze schuldeisers niet benadeeld.

10.

Het hof besluit derhalve uit voorgaande motieven dat er geen schending van pleegvormen is bewezen noch enige inbreuk op de openbare orde zodat er geen reden is om de homologatie van het reorganisatieplan te weigeren.

Het hoger beroep van BVBA XYZ is gegrond.

11.

Iedere partij wordt verwezen in de eigen gerechtskosten.

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep overeenkomstig de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Het hof heeft de heer Advocaat-Generaal L. De Mot gehoord in zijn mondeling advies evenals de raadsman van de RSZ in zijn mondelinge repliek op dit advies.

Het hof verklaart het hoger beroep gegrond.

Het hof wijzigt het vonnis van 23.05.2012 waarbij de homologatie van het reorganisatieplan van BVBA XYZ geweigerd werd.

Het hof homologeert het reorganisatieplan met addendum van BVBA XYZ en sluit de procedure van gerechtelijke reorganisatie af.

Het hof beveelt de publicatie van het arrest bij uittreksel door de griffie in het Belgisch Staatsblad overeenkomstig art. 55, lid 5 WCO.

Het hof beveelt de publicatie van het arrest bij uittreksel door de griffie in het Belgisch Staatsblad overeenkomstig art. 55, lid 5 WCO.

Het hof verwijst elke partij in de eigen gerechtskosten.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 25 oktober 2012 door

De heer E. HULPIAU – voorzitter
Mevrouw M.-C. WILLEMAERS – raadsheer
Mevrouw I. RENAP – raadsheer
Mevrouw C. VERSWYVELEN – griffier

30. October 2012 by Tim De Clercq
Categories: Publicaties | Comments Off on Wet Continuïteit Ondernemingen (WCO): Arrest hof van beroep Antwerpen dd. 25 oktober 2012